Tijdens de Olympische Spelen zien we sporters die op het juiste moment presteren. Ze hebben de race dan al heel vaak in gedachten uitgevoerd.
Ze zien zichzelf winnen. Ze ervaren het succes alvast in hun hoofd.
Visualisatie is in de topsport heel normaal. Topsporters trainen niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Ze zien de perfecte uitvoering voor zich.
Dit zorgt voor rust, focus en zelfvertrouwen.
Mensen met faalangst doen precies hetzelfde. Ze visualiseren ook.
Alleen zien zij het mis gaan.
→ Ze zien zichzelf blokkeren.
→ Ze zien dat ze fouten maken.
→ Ze zien dat anderen ze uitlachen.
Hun brein traint dus het verkeerde scenario.
Ons brein maakt bijna geen onderscheid tussen een levendig voorgestelde situatie en een echte ervaring. Je lichaam reageert meteen op die negatieve visualisatie: je hartslag en ademfrequentie gaan omhoog, er ontstaat spanning in spieren en je denkvermogen neemt af.
Daardoor kan die blackout ook daadwerkelijk ontstaan in de gevreesde situatie. En dat vormt dan weer een bevestiging van die negatieve gedachten. “Zie je, ik kan het niet.”
Het mooie is dat je dit ook kunt omdraaien.
Door de ideale situatie te visualiseren, net als topsporters.
Mensen met faalangst kunnen leren te visualiseren dat het wél lukt en dat ze rustig blijven.
Zo kunnen ze hun brein opnieuw programmeren, maar dan voor succes.
Visualiseren is een vaardigheid die je moet leren.
En hoe vaker je het oefent, hoe groter het effect. Je wordt er steeds beter in.
Mentale training is dus niet alleen voor topsporters, maar voor iedereen die wil groeien in zelfvertrouwen.
Misschien kunnen we van de topsport leren dat zelfvertrouwen geen eigenschap is, maar een vaardigheid die je kunt oefenen. Ook in de klas.